Over de identiteit, rol en toekomst van de universiteit

Op zaterdag 24 november vulde het auditorium zich met toehoorders om van twee historici een verhaal te horen over verleden en toekomst van de universiteit: Ab Flipse van de VU en Klaas van Berkel van de Rijksuniversiteit Groningen.

24-11-2018 | 15:15

-  TWEE LEZINGEN MET EEN BLIK OP VERLEDEN EN TOEKOMST VAN DE ACADEMIE  -

Ab FlipseAb Flipse begon met de stichting van VUvereniging. Niet voor niets, want volgend jaar bestaat deze 140 jaar. Abraham Kuyper was vanaf 1877 de drijvende kracht, samen met bierbrouwer Willem Hovy als voornaamste geldschieter. Begin 1879 richtten ze de VUvereniging op, teneinde iets te doen aan het in hun ogen in deplorabele staat verkerende hoger onderwijs. Na de oprichting van de Vrije Universiteit was het beeld van VUvereniging er een van saamhorigheid. Sprekend was een foto uit 1937, waar de Amsterdamse Apollohal afgeladen vol zat met verenigingsleden. Er werd naar toespraken geluisterd, samen gezongen, veel geapplaudiseerd en sprekers werden toegejuicht. Er was in die tijd een gevoel van de VU tegen de rest. Een bijzondere universiteit, die het nu weliswaar nog steeds is, maar tegenwoordig anders ingericht, bestuurd en door een ander financieringmodel ook meer conform de andere instellingen.

Apollohal 1937
Bijeenkomst VUvereniging 1937, Apollohal Amsterdam
Tegenwoordig is er ook geen sprake meer van ‘ons’, minderheid tegen de rest, maar van een neoliberale universiteit met nog steeds sterke vormingsidealen.
   
Ab Flipse gaf een beeld van de groei en ontwikkeling van de VU door de jaren heen, niet alleen in aantallen, maar ook in mentaliteit. We zullen in 2019, een jubileumjaar, nog meer van hem horen.




 
- ACADEMISCHE VRIJHEID -  

Klaas van BerkelKlaas van Berkel benaderde het begrip identiteit van een andere kant. Hij hield een pleidooi voor het cultuurideaal van de academische vrijheid. Academische vrijheid, volgens Van Berkel, is het recht van docenten en studenten om in universitair verband vrij te bepalen waar ze het over willen hebben, hoe ze erover willen praten en hoe ze dat eventueel in publicaties aan anderen willen mededelen. Het beginsel omvat ook de vrijheid om de condities waaronder men werkt ter discussie te stellen, zonder dat van hogerhand met een beroep op imagoschade of zakelijke belangen wordt ingegrepen. Dat is een manier van omgaan met elkaar, een manier ook om met verschillen te leren leven, die kan gelden als een hogere vorm van beschaving.
Hoe de kerk zijn greep op de academie verloor legde hij uit met de geschiedenis van de Groninger theoloog Petrus Hofstede de Groot. Deze wist op voortvarende wijze te beargumenteren dat de Hervormde kerk best eens schade zou kunnen ondervinden van het wetenschappelijk bedrijf, maar dat de kerk zelf is voortgekomen uit vrij onderzoek en niet steunend op gezag. Dat was precies wat Kuyper voorstond. Een universiteit met academische vrijheid, vrij van elke voogdij van kerk of staat.
Dat hij dit overigens niet van toepassing achtte op de geloofsovertuiging van zijn docenten en studenten deed er toen niet toe. Als je niet tot Kuypers geloof hoorde, had je bij zijn universiteit niets te zoeken. Hoe anders dan nu.
Van Berkel gelooft overigens niet zo in een eigen identiteit: ‘Identiteit is iets dat vreselijk overschat wordt. Ik kan me nog voorstellen dat een universiteit die zich als bedrijf ziet, een bedrijf dat produkten levert voor de maatschappij van vandaag de dag graag iets onderscheidends wil hebben, iets eigens, waardoor de klanten naar haar toe komen en niet naar de concurrent. Maar een universiteit waar de academische vrijheid en de functionele afzondering nog serieus genomen worden, maalt daar niet om en kiest een andere koers.’
En met dit voer tot nadenken begaf men zich naar de lunch.