Werken aan de Ziel - column Willem Schoonen

De universiteit moet weer tempel voor de waarheid worden, waar de student kan werken aan zijn ziel. Dat is de kern van het essay dat de rooms-katholieke theoloog Erik Borgman onlangs schreef voor de 91ste dies van zijn universiteit, de Universiteit van Tilburg.

13-12-2018 | 14:47

Willem Schoonen - foto: Maartje GeelsDat essay, tegen kostprijs te verkrijgen bij het Tilburg Cobbenhagen Center, is de moeite waard. Niet alleen omdat het een prikkelende bijdrage is aan het actuele debat over rol en taak van de universiteit, maar ook omdat het een roomse spiegel is van de gedachte die collegevoorzitter Mirjam van Praag verwoordde bij de opening van ons eigen academisch jaar. “De universiteit”, zei Mirjam toen, “moet niet alleen de plaats zijn waar je íets wordt maar ook de plaats waar je íemand wordt.”

Hierop sluit het tweede deel van Borgmans betoog aan. In het eerste, die tempel voor waarheid, betoog hij dat wetenschap een in wezen spirituele zoektocht is naar de betekenis van de werkelijkheid die we waarnemen, en protesteert hij tegen een politiek die de universiteit degradeert tot een producent van maatschappelijk en economisch nut. Maar het gaat hier om het tweede deel: wat is die zorg voor de ziel, waaraan de student zich zou moeten wijden?

Borgman gaat daarvoor te rade bij de Tsjechische filosoof Jan Patočka (1907-1977), een van de voorlieden van de democratiseringsbeweging Charta 77. Voor Patočka staat de menselijke ziel gelijk aan het vermogen waarheid en goedheid te zoeken, en daarmee de opdracht te leven in waarheid en goedheid. Dat betekent niet alleen de werkelijkheid doorgronden, maar ook de eigen plaats in die werkelijkheid, en de invloed die de mens op de toekomst van die werkelijkheid heeft.

Als dat de ziel is, wat moet de universiteit dan doen om te zorgen dat de student eraan kan werken?

Het eerste is: de student vrijwaren van de druk om te voorzien in zijn levensonderhoud. De student moet zich kunnen verdiepen in zijn wetenschap, en niet van zijn zoektocht naar waarheid worden afgehouden door financiële nood. In de huidige constellatie kan geen universiteit dat bieden, dat zou alleen de overheid kunnen. Laat duidelijk zijn, betoogt Borgman, dat leenstelsel en hoge collegegelden funest zijn voor de ziel.

De tweede opdracht is de student alle mogelijke bronnen aan te reiken waarin hij kan ontdekken in welke wetenschappelijke traditie hij staat, en hoe zijn eigen zoektocht naar de waarheid die traditie kan verrijken. Je ziet hier de discussie over open access van wetenschappelijke bronnen om de hoek gluren.

De derde opdracht is de student aanzetten om zijn wetenschappelijke kennis én zichzelf te problematiseren; vragen te stellen bij waarnemingen, wetenschappelijk methoden en paradigma’s. Hier komt het debat over de kwaliteit van wetenschappelijke data en bewijsvoering - de replicatiecrises! – om de hoek kijken. En meer dan dat, betoogt Borgman: als de universiteit het goed doet zal de student “zijn naïeve vertrouwen verliezen dat bepaalde benaderingen of theorieën kunnen garanderen dat de waarheid wordt gevonden”.